Op 30 maart 2018 heeft de Hoge Raad (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463)  zich uitgelaten over het belanghebbende begrip in het familierecht. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch had hier prejudiciële vragen over gesteld nadat het constateerde dat  het begrip ‘ belanghebbende’ uit artikel 798 lid 1 Rv in de rechtspraak verschillend wordt uitgelegd in zaken waarin één ouder hoger beroep instelt tegen de beëindiging van het gezag.

Wat speelde er?

Het ging om een vader en moeder die getrouwd waren geweest en samen een zoon hadden. Hun zoon stond sinds 2009 onder toezicht. Sinds 2013 was hij tevens uit huis geplaatst. Op 24 november 2016 beëindigt de rechtbank Limburg het gezag van zowel vader als de moeder over de minderjarige.

De vader was het met deze uitspraak niet eens en stelde hoger beroep in. Hij kwam hierbij alleen op tegen de beëindiging van zijn gezag. Het gerechtshof merkte de moeder aan als belanghebbende. Zij heeft hierop verweer gevoerd en incidenteel appel ingesteld. Daarin kwam zij zowel op tegen de beëindiging van haar eigen gezag, als die van de vader.

Prejudiciële vragen

Het gerechtshof stelt aan de Hoge Raad – kort samengevat – de volgende vragen:

  1. Als het gezag van beide ouders is beëindigd en slechts één ouder hoger beroep in stelt tegen de beëindiging van zijn gezag, moet de andere ouder dan worden aangemerkt als belanghebbende?
  2. Onder welke omstandigheden kan de andere ouder na het verstrijken van de wettelijke beroepstermijn worden ontvangen in incidenteel appel tegen de beëindiging van zijn gezag?
  3. Kan de ene ouder opkomen tegen de beëindiging van het gezag van de andere ouder? En kan dit ook als die andere ouder zelf niet opkomt tegen de beëindiging van diens gezag?
  4. Oefent artikel 8 EVRM nog enige invloed uit op deze kwestie?

Beantwoording door Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt eerst dat het belanghebbende begrip blijkens de wetsgeschiedenis niet in algemene zin kan worden afgebakend. Of iemand belanghebbende is wordt enerzijds bepaald door het onderwerp van de voorgelegde zaak en anderzijds door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Daarbij geldt dat ingevolge artikel 806 Rv het belanghebbende begrip in hoger beroep dezelfde betekenis heeft als in eerste aanleg. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de appelrechter ambtshalve dient te beoordelen of een betrokkene in hoger beroep belanghebbende is. De appelrechter is daarbij niet gebonden aan het oordeel daarover van de rechter in eerste aanleg.

 Antwoord vraag 4: invloed art. 8 EVRM

De Hoge Raad overweegt dat artikel 8 EVRM een rol speelt bij de beoordeling of iemand belanghebbende is. Uit artikel 8 EVMR volgt dat als een persoon aanspraak kan maken op bescherming van zijn familie- en gezinsleven, dan wel zijn privéleven, hij er ook aanspraak op kan maken dat hij in voldoende mate wordt betrokken in het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in dat familie- en gezinsleven, dan wel zijn privéleven. De mate waarin en wijze waarop de belanghebbende bij het besluitvormingsproces moet worden betrokken is afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval en de aard en mate van ingrijpendheid van de te nemen maatregelen.

Antwoord vraag 1: ‘andere ouder’ als belanghebbende in hoger beroep

De Hoge Raad overweegt dat beide ouders het gezag hadden over hun zoon en dat beide ouders gezinsleven hadden met hem, als bedoeld in art. 8  lid 1 EVRM. De gezagsbeëindigende maatregel behelst een inmenging op het gezinsleven van vader, moeder en kind en raakt daardoor ‘rechtstreeks’  het recht op gezinsleven van beide ouders. Om te voldoen aan de eisen van artikel 8 EVRM moeten beide ouders als belanghebbende worden aangemerkt.

Daarbij geeft de Hoge Raad aan dat in een procedure waarbij het gezag van beide ouders die gezinsleven hebben met de minderjarige is beëindigd, maar waarbij in hoger beroep de grieven van de appellerende ouder slechts op zijn eigen zag zien, de andere ouder belanghebbende is.

Antwoord vraag 3: grieven tegen beëindiging gezag andere ouder

Omdat de beëindiging van het gezag van ouders die beiden gezinsleven hadden met de minderjarige rechtstreeks betrekking heeft op hun rechten, mogen zij beiden hoger beroep instellen.

De ouder die hoger beroep instelt kan:

  1. het hoger beroep betrekken op de beëindiging van het door ouders gezamenlijk uitgeoefende ouderlijk gezag;
  2. de beëindiging van het door deze ouder zelf uitgeoefende ouderlijk gezag, dan wel;
  • de beëindiging van het door de andere ouder uitgeoefende ouderlijk gezag.

Dit geldt ongeacht of de andere ouder eveneens principaal of incidenteel appel instelt.

Antwoord vraag 2: ontvangen in incidenteel appel andere ouder

Omdat beide ouders belanghebbende zijn, is de ouder die geen hoger beroep instelt wel bevoegd een verweerschrift in te dienen en kan deze ouder ook incidenteel appel instellen, volgens de reguliere regels van de verzoekschriftprocedure. Voor deze ouder geldt natuurlijk ook dat kan opkomen tegen de beëindiging van zijn eigen gezag, het gezag van de andere ouder, of tegen de beëindiging van het gezag van hen beiden.

Heeft u vragen over de maatregel van gezagsbeëindiging? Neemt u dan contact op met één van onze advocaten.